|
Nijmegen periodic fever research group |
|
Hyper-IgD and periodic fever syndrome (HIDS) |
|
Wat is HIDS? |
Inhoudsopgave> Voor wie is deze informatie? > HIDS in het kort > De ziekte HIDS - wat kunt u ervan merken? > Hoe wordt de diagnose gesteld? > Behandeling > Wat is de oorzaak van HIDS? > Achtergrondinformatie > Meer over HIDS > Waar zit de aanleg? > Hoe zit dat met de erfelijkheid? > Erfelijke ziekten, verzekering en werk
AchtergrondinformatieMeer over HIDSWaar komt de naam vandaan?Voluit heet deze aandoening officieel “hyper-immunoglobuline D en periodieke koorts syndroom”. De ziekte heeft in 1984 voor het eerst een naam gekregen. Toen zagen prof. J.W.M. van der Meer en zijn collega’s in korte tijd een aantal patiënten met vreemde, onverklaarde koortsaanvalllen, die allemaal een hoge concentratie IgD in hun bloed hadden. Al snel bleek dat het moest gaan om een nog niet eerder beschreven ziekte. De naam wordt vaak afgekort tot “hyper-IgD syndroom” of “HIDS”. Wat is immuunglobuline D (IgD)?Immuunglobuline D (IgD) is een eiwit dat gemaakt wordt door bepaalde witte bloedcellen. Van andere immuunglobulines (zoals IgG, IgA en IgM) is vrij veel bekend, ze spelen een rol bij de afweer tegen bacteriën en virussen. Over de functie van IgD is weinig bekend. Patiënten met HIDS hebben een hoge concentratie van dit IgD in hun bloed. Er zijn een aantal uiteenlopende andere ziekten waarbij een hoge concentratie IgD gevonden kan worden, waaronder tuberculose, de ziekte van Pfeiffer en chronische bronchitis. Wat is mevalonaat kinase?In 1999 is ontdekt wáár precies in de erfelijke informatie de fout zit bij patiënten met HIDS. Het blijkt te gaan om het stuk DNA dat informatie bevat voor het maken van één bepaald eiwit, dat mevalonaat kinase genoemd wordt. Mevalonaat kinase speelt een centrale rol in een aantal metabolismen in de cel, waarbij onder andere cholesterol gevormd wordt. Bij HIDS werkt dit mevalonaat kinase niet goed. Hoe dit dan leidt tot de koortsaanvallen is niet bekend.
Waar zit de aanleg?Ons lichaam is opgebouwd uit kleine levende eenheden, die we cellen noemen. Elke cel heeft een kern waarin zich 23 paar chromosomen bevinden. Chromosomen bestaan voor een groot gedeelte uit DNA. Dit DNA bevat al onze erfelijke informatie, die bepalend is voor de bouw en eigenschappen van ons lichaam. Een chromosomenpaar bevat één chromosoom met erfelijke informatie van de moeder en één met erfelijke informatie van de vader. Elk afzonderlijk chromosoom van een paar bevat informatie voor dezelfde eigenschappen. De aanleg voor elke eigenschap is dus dubbel aanwezig. GenenOp de chromosomen zijn de genen gelokaliseerd, elk met een vaste plaats. Een gen is dus een stukje chromosoom. Een gen is opgebouwd uit DNA. Eén gen bevat de informatie voor één erfelijke eigenschap. Men schat dat de mens 50.000 tot 100.000 genen heeft. Genen geven aan een cel de informatie over wat de taak van die cel moet zijn. Genen zijn bijvoorbeeld verantwoordelijk voor de bloedgroep, voor de kleur van ogen, voor de ontwikkeling van een cel tot een spiercel. Ook bestaan er genen die er voor zorgen dat een cel stoffen produceert die een ontstekingsreactie kunnen remmen of activeren. MutatiesHet DNA, de erfelijke informatie dus, moet vaak gekopieerd worden. Dit gebeurt bijvoorbeeld bij het maken van eicellen of zaadcellen, maar ook als er nieuwe cellen van de huid, bloed of darmen gemaakt moeten worden. Bij dit kopiëren kunnen er fouten gemaakt worden. Dit gebeurt regelmatig. Sommige fouten worden herkend en hersteld door mechanismen in de cel. Andere blijven bestaan. De meeste fouten hebben geen consequenties, omdat ze zitten in een stuk van het DNA dat niet direct gebruikt wordt, of omdat het gecompenseerd wordt door het andere chromosoom met dezelfde informatie. Als zo’n fout wel gevolgen heeft, wordt het een mutatie genoemd. Een gen waarin een mutatie zit kan vaak niet goed werken. Van mutaties naar ziekteHIDS wordt veroorzaakt door mutaties, dus een foutje in de erfelijke informatie, in één specifiek gen (het mevalonaat kinase gen). Er moet in beide exemplaren van het gen een mutatie te zitten om de ziekte te krijgen. Iemand met één exemplaar van het gen met zo’n mutatie en één kopie van het gen zonder mutatie zal geen koortsaanvallen krijgen. Zo’n persoon noemen we een “drager”.
Hoe zit dat met de erfelijkheid?Ieder kind krijgt één exemplaar van al zijn chromosomen van zijn vader en één van zijn moeder. Bij HIDS is het zo dat een kind pas ziek wordt als beide ouders een gen met de mutatie doorgeven aan het kind. Welk kopie van het gen elke ouder doorgeeft aan zijn of haar kind is puur toeval. In de volgende figuren worden een aantal verschillende situaties besproken.
Iemand met HIDS heeft twee HIDS-mutaties. Beide ouders moeten dus drager zijn van zo’n mutatie – zie figuur 1. De kans dat een kind van ouders die beide drager zijn de ziekte krijgt is 25% (1 op 4). In de helft van de gevallen is een kind van zulke ouders zelf ook weer drager van de mutatie. Maar het kind hoeft niet altijd erfelijke aanleg te krijgen. De overerving wordt zoals gezegd bepaald door puur toeval . Zo kan het dus ook voorkomen dat bijvoorbeeld 3 van de 4 kinderen van zulke ouders ziek worden. Of juist geen van de kinderen.
Hoe zit dat met de kinderen van iemand met HIDS? De meest voorkomende situatie staat afgebeeld in figuur 2. Iemand met HIDS, dus met 2 HIDS-mutaties, krijgt kinderen samen met iemand die de erfelijke aanleg niet heeft. Die kinderen zullen allemaal drager zijn van een HIDS-mutatie. Ze krijgen altijd één gen met de mutatie van de ouder met HIDS en één normaal gen van de gezonde ouder. De kinderen in dit geval worden dus zelf niet ziek.
De enige manier waarop het kan gebeuren dat iemand met HIDS een kind krijgt dat de ziekte ook heeft is te zien in figuur 3. De partner van de HIDS-patiënt moet dan toevallig drager zijn van de HIDS-mutatie. In zo’n geval is er 50% kans dat hun kind de ziekte krijgt. Maar dit is een uitzonderlijke situatie; op dit moment is er geen familie bekend met HIDS waar dit gebeurd is. Dit komt omdat de ziekte zo zeldzaam is. Een ruime schatting is dat hoogstens zo’n 1 op de 500 mensen in Nederland drager is van een HIDS-mutatie. Bij elkaar opgeteld is de kans op een kind met de ziekte als een van de ouders HIDS heeft dan hoogstens 1 op de 1000.
Erfelijke ziekten, verzekering en werk(De informatie in deze sectie is grotendeels overgenomen van de website www.bpv.nl— zie aldaar voor meer info)
VerzekeringenIn Nederland zijn de Wet Medische Keuringen (WMK) en het Moratorium Erfelijkheidsonderzoek van kracht. Hierin zijn regels vastgelegd hoe verzekeraars om moeten gaan met informatie uit erfelijkheidsonderzoek. Ook in het Protocol Verzekeringskeuringen zijn afspraken over erfelijkheids-onderzoek en verzekeringen opgenomen. Het Moratorium en de WMK hebben alleen betrekking op levensverzekeringen en arbeidsongeschiktheidsverzekeringen. Ziektekostenverzekeringen vallen er niet onder. Het vragen om een erfelijkheidsonderzoek door de verzekeraar, als voorwaarde voor het afsluiten van een verzekering, is verboden. Daarnaast is vastgelegd dat degene die de verzekering afsluit onder een bepaalde grens geen informatie uit erfelijkheidsonderzoek hoeft op te geven. Het gaat hierbij om erfelijkheidsonderzoek verricht bij u zelf of bij familieleden. Bij levensverzekeringen ligt de grens bij een verzekerd bedrag van 160.000 euro en bij particuliere arbeidsongeschiktheidsverzekeringen bij een verzekerd bedrag van 32.000 euro in het eerste jaar en 22.000 euro in de volgende jaren. Onder deze grens geldt een standaard model gezondheidsverklaring. Op deze gezondheidsverklaring mag alleen gevraagd worden naar vier ziektebeelden bij familieleden, namelijk suikerziekte, hart- en vaatziekten, hoge bloeddruk en psychische aandoeningen. Onder familie wordt verstaan: ouders, kinderen, broers en zussen. Als u al gezondheidsklachten heeft die zich hebben geopenbaard, dan moeten deze wel aan de verzekeraar worden gemeld. Boven de grensbedragen moet u desgevraagd wel vertellen wat de resultaten zijn van erfelijkheidsonderzoek verricht bij uzelf of bij uw familieleden.
AanstellingOok in het kader van een aanstellingskeuring worden vaak veel vragen aan de kandidaat-werknemer gesteld. De Gezondheidsraad wijst in het algemeen vragen over erfelijkheidsonderzoek bij aanstellingskeuringen af. Hierop zijn natuurlijk uitzonderingen. Zo is voorstelbaar dat door de goedkeuring voor de functie van piloot of buschauffeur een verhoogd gezondheidsrisico ontstaat. Dit risico bestaat voor de persoon zelf, maar ook voor anderen. In dat soort gevallen is het redelijk dat een keuringsarts meer uitgebreid vragen mag stellen. Deze dienen dan ook weer naar waarheid te worden beantwoord. Het moet dan wel alléén gaan om vragen die voor de beroepsuitoefening van belang zijn. Nadere informatieVoor vragen en opmerkingen over verzekeringen en werk in verband met erfelijke ziekten bestaat een speciaal meldpunt, het meldpunt Verzekeren, Werk en Gezondheid. Telefoon 020 - 4 800 300, website: www.bpv.nl.
Laatste wijziging: 5 maart 2005 |






